abt
mannelijk (de)/ɑpt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (beroep) het hoofd van een abdijDe tweede werd geboren in de zesde eeuw. Eigenlijk was hij een zeer eenvoudige monnik, die later abt werd van het klooster in Myra. Een bijzonder vrome man, die door zijn gebed de mensen kon genezen. Hij overleed op 10 december van het jaar 564.
Etymologie
*Afkomstig van het Oudgriekse ἀββᾶς abbas (vader), dat op zijn beurt teruggaat op het Aramese אבא abba (mijn vader)
Uitdrukkingen
- Zo de abt, zo de monniken — Stoett-42 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0043.phpv42 www.dbnl.org (Zoo de abt, zoo de monniken)]
Vertalingen
Engelsabbot
Fransabbé
DuitsAbt
Spaansabad
Italiaansabate
Portugeesabade
Russischаббат
Poolsopat
Zweedsabbot
Deensabbed
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek