absolveren

/ɑpsɔl'verə/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (rooms-katholicisme) zonden vergeven
    De man werd geabsolveerd.
  2. ov (ov) (van tentamens) vrijstelling verlenen
    De leerling werd voor één keer geabsolveerd.

Etymologie

* van het Latijnse 'absolvere' (bevrijden)

Vertalingen

Spaansabsolver