absolveren
/ɑpsɔl'verə/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (rooms-katholicisme) zonden vergevenDe man werd geabsolveerd.
- (ov) (van tentamens) vrijstelling verlenenDe leerling werd voor één keer geabsolveerd.
Etymologie
* van het Latijnse 'absolvere' (bevrijden)
Vertalingen
Spaansabsolver
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek