aarzelend

/ˈarzələnt/

Betekenis

werkwoord
  1. met twijfel en onzekerheid
    Twee maanden later stond de ploeg, met ook nog de tot Nederlander genaturaliseerde Belg Bram Louwije tussen de wereldtop. Een beetje aarzelend nog, dat wel. "Die Chinezen zijn echt kneitergoed", vond Schmidt. "Ik was niet heel zenuwachtig, dacht ik. Tot we de arena inliepen." Tubantia 29 oktober 2018 [https://www.tubantia.nl/andere-sporten/bart-deurloo-en-co-genieten-in-een-lege-arena~a58ce20b/ Bart Deurloo en co genieten in een lege arena]
    Ford, zei Fox-commentator Britt Hume, kwam over als authentiek. Breekbaar, aarzelend, onwennig en juist daarom geloofwaardig, in zijn ogen. En niet alleen in de zijne - de tweede man van de Republikeinen in de Senaat, John Cornyn, trok dezelfde conclusie. Hij zag geen reden om Ford níet geloofwaardig te vinden, zei hij direct na de zitting. Tubantia K. van Houwelingen 27 september 2018, [https://www.tubantia.nl/buitenland/kavanaugh-bijt-fel-van-zich-af-ik-heb-nooit-iemand-seksueel-misbruikt~a0de8df2/ Kavanaugh bijt fel van zich af: ik heb nooit iemand seksueel misbruikt]
    ' Ik zapte de eindeloze reeks tv-programma's langs, geen van alle bijzonder boeiend, tot ik Davis en aarzelend - hoorde aankloppen.

Etymologie

* van aarzelen

Vertalingen

Engelslingering, double-minded, indecisive
Fransvelléitaire
Duitszögerlich