aartshertogin

vrouwelijk (de)/'artshɛrtoɣɪn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. adel (adel) adellijke titel, vrouw van een aartshertog
    Maar zijn herinnering aan het verblijf op het jacht werd toch in de eerste plaats gekleurd door het lenige lichaam van de aartshertogin van Luxemburg, die er in een bont gezelschap van Hollywoodacteurs, Duitse en Spaanse adel, een wereldberoemde operadiva en een bekende mediatycoon en scheepsmagnaat haar achttiende verjaardag had gevierd.
    Op zijn vlucht terug naar Nederland waren zijn gedachten om de vijf minuten afgedwaald naar de onverzadigbare aartshertogin, en elke keer voelde hij zijn oogleden zwaar worden en dommelde hij een paar minuten weg.

Etymologie

*Afgeleid van hertogin

Vertalingen

Engelsarchduchess
Fransarchduchesse
DuitsErzherzogin
Spaansarchiduquesa
Italiaansarciduchessa
Russischэрцгерцогиня
Poolsarcyksiężniczka
Zweedsärkehertiginna