aartsbisschop

mannelijk (de)/ˈartsbɪsxɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie, beroep (religie) (beroep) de voornaamste bisschop van een kerkprovincie
    De dienst wordt geleid door de aartsbisschop van Canterbury.
    De aartsbisschop van Canterbury, de bisschop van Londen, de kanselier, hoge ambtenaren en andere hooggeplaatsten, ze waren allen gekomen om hun respect aan de koningin te betuigen.
    Wie moest Calonne vervangen? Abbé Vermond wist het al: zijn vriend Loménie de Brienne, aartsbisschop van Toulouse, was de man voor deze taak.

Etymologie

* Afgeleid van bisschop

Vertalingen

Engelsarchbishop
Fransarchevêque
DuitsErzbischof
Spaansarzobispo
Italiaansarcivescovo
Portugeesarcebispo
Japans大主教
Turksbaşpiskopos
Poolsarcybiskup
Zweedsärkebiskop
Deensærkebiskop