aanzien

onzijdig (het)/ˈanzin/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) kijken naar
    Hij kon het niet meer aanzien.
  2. ov (ov) ~ voor: beschouwen als
    Waar zie je me voor aan?
  3. ov (ov) dulden, tolereren, kijken zonder te handelen
    Ik heb het nog een tijdje aangezien, maar uiteindelijk ben ik er toch tegen opgetreden.
    De arts wilde het nog even aanzien.
zelfstandig naamwoord
  1. hoe iets of iemand door anderen gezien wordt
    Zijn aanzien liep daarmee een aardige deuk op.
    Door het nieuwe verfje is het aanzien van het huis duidelijk verbeterd.
  2. voorkomen, reputatie, sociale status
    Door haar promotie kreeg Mieke een ander aanzien in het bedrijf.
  3. achting
    Het bestuur wijzigde het beleid ten aanzien van de werknemers.

Uitdrukkingen

  • voor een ander aanzienzich in de persoon vergissen
  • aanzien doet gedenkenhet zien maakt dat men er aan denkt
  • zonder aanzien des persoonszonder er op te letten wie iemand is
  • van aanziengezien
  • niet om aan te zienheel erg lelijk
  • naar het zich laat aanzienzoals men verwachten kan

Vertalingen

Engelsrespect
DuitsAnsehen
Spaansmirar, poner la vista en, tomar por
Italiaansriguardo