aanwezige

mannelijk/vrouwelijk (de)/aɱˈwezəɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iets bijwoont
    Er was slechts een handvol aanwezigen.
    Onder de aanwezigen was ook de koningin.
    Achter hen stonden Max en Dennis met grote ogen te kijken naar de achterkant van een klein fototoestel dat Sander vasthield. Alsof het zo was afgesproken, stapte Denise de kamer binnen op het moment dat zij alle aanwezigen kort had bekeken.

Etymologie

*Afgeleid van aanwezig