aanwakkeren

/ˈaɱwɑkərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. aansporen
    De politicus probeerde de hulpvaardigheid van de mensen aan te wakkeren.
  2. sterker worden
    Toen ze hem zo liefdevol zijn moeder zag verzorgen werd haar liefde voor hem weer aangewakkerd.
    De wind wakkerde aan
    De reclame- boodschappen sporen ons aan nieuwe verlangens te koesteren, het nieuws maakt ons woedend en van streek, onze geldingsdrang wordt aangewakkerd door wat we horen over collega's en kennissen.
  3. groter maken
    De storm wakkerde het vuur weer aan
    Ergens diep binnenin je bevindt zich daarentegen het oergevoel dat na elk bezoek aan de site meer aangewakkerd zal worden.
    De laatste drie jaar deelde Ex het directeurschap met Ina Klaassen. Ze noemt hem een visionair met lef. "Zijn eigenzinnige blik en bevlogen aanpak hebben de groei die het museum heeft doorgemaakt aangewakkerd en voortgestuwd."

Vertalingen

Engelsincrease
Franss'élever
Duitszunehmen
Spaansavivar, azuzar, animar