aanvulling
vrouwelijk (de)/ˈaɱvʏlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het aanvullenEens per jaar kregen we een aanvulling op de encyclopedie om die compleet te houden.Met drie flessen aanmaakvloeistof, een paar doosjes lucifers, een puzzelboekje en een pond schepsnoep als aanvulling op hun bepakking waren ze voldoende uitgerust om zich geruime tijd af te kunnen zonderen in het kerspel Rute.
- het bijgevoegdeHet gastcollege was een waarde volle aanvulling op het lesprogramma.Zorgen voor toegangsbewijzen was nu een nieuwe aanvulling van zijn taak geworden.
Etymologie
* van aanvullen .
Vertalingen
Engelscompletion
Spaanscumplimiento
Italiaanscomplimento
Poolsuzupełnienie
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek