aanvoer

mannelijk (de)/ˈaɱvur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het aanbrengen met een leiding of voertuig
  2. het aangevoerde
  3. voor aanvoer dienend

Vertalingen

Engelsfeedpipe, supply, supply
Fransarrivage, carriage, transport
DuitsZufuhr, Nachschub, Zufuhr
Spaansaprovisionamiento, aprovisionamiento