aanvaring
vrouwelijk (de)/ˈaɱvarɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) botsing van een schip met een ander schip of objectAls een vrachtschip een aanvaring heeft met een plezierjacht loopt het meestal slecht af met het plezierjacht.
- (figuurlijk) conflictDe leraren hadden vaak een aanvaring met de opstandige student.Pubers behoren vaak aanvaringen te hebben met hun ouders.Voor het eerst tijdens deze aanvaring zie ik iets van oprechtheid in haar blik. Ze lijkt echt te willen weten wat ze niet goed heeft gedaan.
- in aanvaring komen met: botsen tegenHerinneringen aan je jeugd of mijmeringen over een oude vriend konden in aanvaring komen met een acht meter hoge afbeelding van A.I. Steak Sauce.
Etymologie
* van aanvaren .
Vertalingen
Engelscollision
Spaanscolisión, abordaje
Italiaanscollisione
Poolszderzenie, kolizja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek