aanvangen

/ˈaɱvɑŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) beginnen, starten
    Er was een nieuwe droogteperiode aangevangen.
    Het schooljaar zal dit jaar een maand later aanvangen.
  2. ov (ov) starten
    We hebben de werkzaamheden meteen aangevangen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘beginnen’ voor het eerst aangetroffen in 1350

Vertalingen

Engelsbegin, commence
Franscommencer, débuter
Duitsanfangen, beginnen
Spaanscomenzar, empezar