aanvangen
/ˈaɱvɑŋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) beginnen, startenEr was een nieuwe droogteperiode aangevangen.Het schooljaar zal dit jaar een maand later aanvangen.
- (ov) startenWe hebben de werkzaamheden meteen aangevangen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘beginnen’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Vertalingen
Engelsbegin, commence
Franscommencer, débuter
Duitsanfangen, beginnen
Spaanscomenzar, empezar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek