aantrekker
mannelijk (de)/ˈantrɛkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wielrennen) gangmaker voor een sprinterMark Cavendish heeft in de Tour de France van zijn comeback zijn vierde etappe gewonnen. In de massasprint Carcassonne drukte hij zijn wiel nota bene voor zijn eigen aantrekker Michael Mørkøv over de streep. Jasper Philipsen (Alpecin) werd derde.
- hulpmiddel voor het aantrekken van schoenen, laarzen of andere kledingstukken
Etymologie
* afleiding van van aantrekken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek