aantreffen

/ˈantrɛfə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) ontmoeten, vinden
    Hij werd daar verward, maar ongedeerd aangetroffen.
    Het is een verleidelijk beeld, als je langs talloze kerken en kastelen rijdt, door stadjes waar geen leven te bekennen is, laat staan enige moderne vorm van bedrijvigheid. Maar daarmee misken je de dynamiek die je even goed langs de Nationale 7 aantreft.
    Als de wraakzuchtige ouders van een tweeling die in dit hotel om het leven was gekomen, werden wij nota bene bij het lijk aangetroffen.

Vertalingen

Engelsmeet with
Duitsantreffen, treffen
Spaansencontrar
Italiaansincontrare
Poolsnapotkać