aanrijding

vrouwelijk (de)/ˈanrɛidɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. botsing met een voertuig, ongeval
    Na de aanrijding zat er een grote deuk in de bak van de vrachtauto maar er waren gelukkig geen gewonden of doden te betreuren.
    Om een aanrijding te voorkomen, week ik uit naar links, slipte een beetje, en op dat moment doemde er in de bocht een tegemoetkomende vrachtwagen op.
    'Diederich Schulz heeft zijn nek gebroken tijdens een wandeling door de bergen bij Pirna en Peter Wulka werd slachtoffer van een aanrijding.

Etymologie

* van aanrijden

Vertalingen

Engelscollision
DuitsZusammenstoß
Spaanschoque
Italiaanscollisione
Poolskolizja