aanrechtkastje

onzijdig (het)/ˈanrɛx(t)ˌkɑʃə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een klein kastje in een keukenaanrecht
    De schoonmaakmiddelen liggen in het aanrechtkastje.
    'Wat heb ik verdomme fout gedaan?' Met een fiks gekletter belandden twee kopjes op de schoteltjes; het aanrechtkastje viel met een klap dicht.