aannemen

/ˈanemə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) overnemen
    List woonde vanaf haar zevende jaar, na omzwervingen in weeshuizen, bij Jaap en Marie List op Vlieland. Uiteindelijk nam ze ook hun achternaam aan. Tot haar achttiende verbleef ze op het Waddeneiland, om vervolgens haar geluk te beproeven in Amsterdam, waar ze tot aan haar overlijden op 78-jarige leeftijd woonde.
  2. ov (ov) geloven [1], ervan uitgaan dat iets idd. zo is
    Hij nam dat zonder meer aan.
    Hij had het dus voor kennisgeving moeten aannemen.
    Maar de kokkinnen bij de bouw van de Spoorlijn Bergen waren anders dan Britta, zijn verhuurster en, naar hij aannam, de eigenaresse van het houten huisje aan de rivieroever.
  3. ov (ov) goedkeuren
    Het voorstel is gisteren aangenomen door de raad.
  4. ov (ov) adopteren
    Het kinderloze gezin had 2 kinderen aangenomen.
  5. ov, economie (ov), (economie) een karwei onder bepaalde gestelde voorwaarden op zich nemen
    De aannemer neemt werk aan voor een bepaalde prijs en onder voorwaarde het op een bepaalde tijd af te hebben.
  6. ov (ov) opnemen in bijv. een vereniging
    De ballotagecommissie besliste dat hij werd aangenomen in de vereniging.
  7. ov, religie (ov), (religie) (protestants) toelaten tot alle rechten van de Kerk
  8. ov, economie (ov), (economie) iemand in dienst nemen
    Het bedrijf had net 40 nieuwe mensen aangenomen.
  9. ov (ov) een veronderstelling maken
    Als we aannemen dat de temperatuur constant blijft, kunnen we uitrekenen hoeveel er oplost.
    Aannemend dat het hier de Turkse variant van ‘binnen’ betrof, opende hij de deur. Het kantoor had de afmetingen van een kippenhok.

Uitdrukkingen

  • rouw aannemenrouw dragen
  • goed van aannemengemakkelijk lerend
  • het is geen aangenomen werker is geen haast bij
  • Iets voetstoots aannemeniets geloven zonder bewijs
  • Iets voor zoete koek aannemen / slikkenIets zomaar zonder verder bewijs geloven

Vertalingen

Engelsadopt, employ
Spaansadoptar
Italiaansadottare