aanlopen
/ˈanlopə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) durenHet was al tegen sluitenstijd aangelopen.
- (erga) in botsing komen met een staand voorwerpHij liep tegen de punt van de tafel aan en bezeerde zich danig.
- (erga) komen ~: ongewild ergens arriverenDeze poes is hier vorige maand aan komen lopen.
- (erga) van een motor e.d.: enigszins verkeerd lopen waardoor grote wrijving of blokkering veroorzaakt wordtZo te horen loopt er iets aan!
- (erga) rood/blauw ~ een bepaalde kleur krijgen van opwinding of koudeNa de akelige opmerking liep hij helemaal rood aan.De schaamte én gereserveerdheid verdwenen met de felle ademstoot die aan haar longen ontsnapte. Ze had het gevoel dat ze rood aanliep.
- (erga) ~ bij terloops bezoekenWe zijn even bij haar aangelopen.
- (ov) varend bezoekenBeide havensteden werden aangelopen tijdens de rondvaart.
- iets lopend bezoeken
Vertalingen
Engelsrun into, turn
Duitsanlaufen, anfahren, anlaufen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek