aanloopstrook
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈanlopˌstrok/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (filmkunst) apart stuk aan het uiteinde van een opgerolde film dat wordt gebruikt om het in een camera of projector in te voerenStop de projector, neem de film er even uit en wikkel hem terug. Plaats hem opnieuw in het beeldkanaal en laat de aanloopstrook even doorlopen tot even voor het geluid of het beeld begint.
- (fotografie) eerste deel van een opgerolde film dat is gebruikt om het in de camera in te voeren waardoor het geen serieus bedoelde opnamen bevatHij pleit voor een ware bewustwording van de status van het aanloopstrookje, dat hij omschrijft als 'een uit de hand gelopen feest, waar het toeval gastheer is. Want lang niet alle eerste opnamen van een filmpje verdienen de geuzentitel ‘aanloopstrook’.
- (wielrennen) minder steil deel van een weg dat leidt naar een stuk dat sterk omhoog gaat
- (sport) deel van de baan waar een atleet vaart kan maken voor het maken van een sprongOp de eerste dag van de Amerikaanse indoortitelstrijd atletiek bleef Carl Lewis als verspringer ongeslagen. (…) Vrijdagavond sprong hij in de Madison Square Garden in New Vork 8.50 meter ver. Een maand geleden bracht de 22-jarige Lewis in dezelfde hal het wereldrecord op 8.79 meter. Lewis klaagde over de geringe lengte van de aanloopstrook.
Etymologie
*[3], [4]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek