aankunnen

/ˈaŋkʏnə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets of iemand de baas kunnen zijn
    Hij had zijn oudere broertje nooit aangekund, maar was nu duidelijk de sterkere.
    Hij kon de grote hoeveelheid werk met gemak aan.
    Zo gevaarlijk zou het toch niet zijn? Ze had zoveel kerels in haar leven gehad, deze zou ze ook wel aankunnen.
  2. absol (absol) een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
    Vorig jaar had ze deze dure jurk nog aangekund, maar nu was die volledig uit de mode.
  3. iets kunnen verdragen
    ik denk niet dat ik dat emotioneel aankan.
    Het sufferdje van de familie die geholpen diende te worden omdat zij het niet meer aankon.

Uitdrukkingen

  • iets aankunnen
  • Ergens op aankunnen

Vertalingen

Engelsbe able to cope with, be able to do, be able to match with
Duitsgewachsen sein, bewältigen, ankönnen