aankomst

vrouwelijk (de)/ˈaŋkomst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de bestemming bereiken, het aankomen
    De aankomst van de vluchtelingen was een heel mediaspektakel.
    Omdat het mij speet dat mijn aankomst zijn rookpauze had verstoord, en omdat het waar was, zei ik hem, terwijl de taxi zich over het grind van ons verwijderde, dat mijn bagage wel even kon wachten, dat ik een lange reis achter de rug had en dat ik ook wel een sigaret zou lusten. {{Aut|Pfeiffer, Ilja Leonard
    Vrijwel meteen na hun aankomst hadden Mina en Rafael zich teruggetrokken op het balkon waar ze urenlang, beschermd door een krachtveld, door niemand in hun gesprek werden gestoord.
  2. de finish
    La Planche heeft niet de mythische uitstraling van de Mont Ventoux, de Tourmalet of de Alpe d’Huez, maar aan de reputatie wordt gewerkt. De vorige aankomsten waren vol betekenis.

Etymologie

* van aankomen

Uitdrukkingen

  • op zo'n 300 meter van de aankomst

Vertalingen

Engelsarrival
Fransarrivée
DuitsAnkunft
Spaansllegada
Italiaansarrivo
Poolsprzyjazd, przyjście
Deensankomst