aankleding

vrouwelijk (de)/ˈaɲkledɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dat wat de vorm, de sfeer en het uiterlijk van iets bepaald
    Hoe groot het aandeel van pa in dat project ook zijn mag, het mag bij binnenkomst direct duidelijk zijn dat het de jonge Rose is die zich met de aankleding en sfeer van de zaak heeft mogen belasten. De vrouwenhand in het geheel is onmiskenbaar, al moet ik mij door mijn damesgezelschap laten uitleggen hoe je zo’n interieur beschrijft. Het is ‘Rivièra Maison’, zo wordt geduldig voor me opgelepeld, ofwel een stijl met een ‘sterke landelijke beleving’ met meubilair en accessoires in ‘nieuwe brocante’. NRC 19 januari 2017

Etymologie

* van aankleden