aankijken

/ˈaɲkɛikə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aanzien; de blik op iemands gezicht zichten
    Hij keek haar aan en zei: "goedenavond".
    De vader keek zijn dochter streng aan en toen gaf het meisje toe dat ze de kras op de auto had gemaakt.
    Chantal zag dat Heleen haar aankeek zonder haar daadwerkelijk te zien.
  2. rcpq (rcpq) elkaar ~ de blik op elkaars gezicht richten
    Zij keken elkaar aan en schoten in de lach.
  3. beoordelen
    John was de psychoanalyticus John Bowlby (1907-1990), die waarschijnlijk meer dan wie ook van invloed is geweest op de manier waarop we tegenwoordig tegen relaties en de zorg voor kinderen aankijken.

Uitdrukkingen

  • de zaak nog eens aankijkenafwachten
  • aankijken opverdenken van, geringschatten om
  • scheef aankijkenjaloers zijn op iemand

Vertalingen

Engelslook at
Spaansmirar
Italiaansguardare