aangroeisel

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat ergens aan vast gegroeid is
    De voedselwebben in en op de modderige bodem van de baai, de gemeenschappen van slakken, krabben, zeesterren, zee-egels en wormen die aangroeisels vormen op meerpalen en steigers, het zoöplankton in brak water, en visgilden in zoetwater.

Etymologie

* afleiding van aangroeien