aangorden

/ˈaŋɣɔrdə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets met een riem of band om het middel binden
    Hij kan maar beter zijn spullen aangorden.
  2. ov (ov) in riemen vastzetten
    De kinderen moeten goed aangegord worden.

Vertalingen

Engelsgird on, strap in
Fransceindre, ceinturer
Duitsgürten