aangeven

/ˈaŋɣeˌvə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) aanreiken, in handen geven
    Kun je me de afstandsbediening aangeven?
  2. ov (ov) aanduiden
    Hij gaf de zaken die hij besprak aan op het beeldscherm met een laserstokje.
  3. ov (ov) een (gezocht) persoon bij de autoriteiten melden
    De vrouwenmishandelaar werd door de buren aangegeven.
    Je moet het pasgeboren kind aangeven bij de gemeente.

Uitdrukkingen

  • de toon aangevende leider zijn, bepalen welke richting het op gaat

Vertalingen

Engelshand, pass, indicate
Fransindiquer
Duitsangeben
Spaansentregar, indicar, denotar
Poolspodawać