aangesprokene
mannelijk/vrouwelijk (de)/'anɣəsprokənə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand tot wie het woord is gerichtWe hebben gezien hoe ze spraken, maar hebben we ook gezien hoe ze luisterden? Het tweede debat door de ogen van de ander, want de blik van de aangesprokene spreekt vaak boekdelen. Wat moet Bill Clinton hebben gedacht toen Donald Trump begon over zijn seksuele escapades?Hij heeft wel een advies voor badmeester Jan Bouwmeesters: „Het water mag wel een beetje warmer. Het is nog net niet ijskoud.” De aangesprokene sprenkelt meteen een straal over het hoofd van de snelste survivalatleet.
- iemand die zich moet verantwoorden
Etymologie
* afleiding van aangesproken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek