aaneenbinden

/anˈenbɪndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met touw of koord bundelen
    Hij had de schoenen paarsgewijs met de veters aaneengebonden.
  2. refl (refl) aan elkaar vastbinden (ook fig.)
    Momenteel is er een klein groepje landen dat zich nauw aaneenbindt.