aandragen

/ˈandraɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ergens naartoe dragen
  2. ov (ov) ter sprake brengen
  3. verzinnen
    'Je knikte'. En ik liet mijn hoofd redenen aandragen. Dat hij gewoon moe was van het werk. Dat iedereen weleens een dipje had. Dat hij misschien wat meer moest bewegen in de buitenlucht, hele dagen op kantoor is voor niemand goed. Ik verzon ze, alle smoesjes, voor hem, voor mij.

Vertalingen

Duitshertragen, hintragen, auftragen
Spaanstraer