aandoen

/ˈandun/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (kleren) aantrekken
    Het jonge kind kreeg een applaus toen het zijn kleren voor het eerst zelf aandeed
  2. ov (ov) (iemand iets) berokkenen
    De vader wist niet wat hij zijn kinderen aandeed door hen te verlaten.
    ‘Hoe kon je mij dit aandoen? ’ zei ze snikkend.
    Besef je wat hij haar - en Lucy - heeft aangedaan? Hij vermoedde dat er een of ander geheim was, dat er een verband bestond tussen mij en hun huis, en hij was vastbesloten te ontdekken wat dat was.
  3. ov (ov) (iets) aantasten
  4. ov (ov) (iemand) ontroeren
  5. ov (ov) (iemand of iets) bezoeken
    Op weg van school deden we altijd even de snackbar aan.
    Op het nachtkastje naast mijn hotelbed ligt de speellijst met de steden die we gehad hebben en de steden die we de komende weken nog zullen aandoen: New York, NY; Boston, MA; Cleveland, OH; Chicago, IL; Minneapolis, MN; Milwaukee, WI; Houston, TX; Albuquerque, NM; Wichita, KS; Denver, CO; Phoenix, AZ; San Francisco, CA; Seattle, WA; Los Angeles, CA. {{Aut|Harstad, Johan
    Het is de dag voordat de Tour de France de gevreesde helling in de Vogezen aandoet. Liefhebbers klauteren alvast naar adem happend en met knarsende ketting naar boven.
  6. ov (ov) lampen ontsteken, kachel aansteken
    Als we gaan werken aan ons bureau doen we eerst de computer en de lampen aan.

Etymologie

*[1-5]

Uitdrukkingen

  • zich iets aandoenzelfmoord plegen
  • hij kan zich zelf wel iets aandoenergens heel veel spijt van hebben

Vertalingen

Spaansponer, ponerse, causar
Deensgøre