aandoen
/ˈandun/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (kleren) aantrekkenHet jonge kind kreeg een applaus toen het zijn kleren voor het eerst zelf aandeed
- (ov) (iemand iets) berokkenenDe vader wist niet wat hij zijn kinderen aandeed door hen te verlaten.‘Hoe kon je mij dit aandoen? ’ zei ze snikkend.Besef je wat hij haar - en Lucy - heeft aangedaan? Hij vermoedde dat er een of ander geheim was, dat er een verband bestond tussen mij en hun huis, en hij was vastbesloten te ontdekken wat dat was.
- (ov) (iets) aantasten
- (ov) (iemand) ontroeren
- (ov) (iemand of iets) bezoekenOp weg van school deden we altijd even de snackbar aan.Op het nachtkastje naast mijn hotelbed ligt de speellijst met de steden die we gehad hebben en de steden die we de komende weken nog zullen aandoen: New York, NY; Boston, MA; Cleveland, OH; Chicago, IL; Minneapolis, MN; Milwaukee, WI; Houston, TX; Albuquerque, NM; Wichita, KS; Denver, CO; Phoenix, AZ; San Francisco, CA; Seattle, WA; Los Angeles, CA. {{Aut|Harstad, JohanHet is de dag voordat de Tour de France de gevreesde helling in de Vogezen aandoet. Liefhebbers klauteren alvast naar adem happend en met knarsende ketting naar boven.
- (ov) lampen ontsteken, kachel aanstekenAls we gaan werken aan ons bureau doen we eerst de computer en de lampen aan.
Etymologie
*[1-5]
Uitdrukkingen
- zich iets aandoen — zelfmoord plegen
- hij kan zich zelf wel iets aandoen — ergens heel veel spijt van hebben
Vertalingen
Spaansponer, ponerse, causar
Deensgøre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek