aanbouw
mannelijk (de)/ˈambɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het bouwen van iets aan een ander gebouw
- het aangebouwdeDe slaapkamer komt in de nieuwe aanbouw.Het oude kasteel heeft vele aanbouwen.Tegen haar verwachting in leidt de deur niet naar de binnenplaats, maar naar een van de bijgebouwen: een lage, langgerekte aanbouw.
Etymologie
* "aanbouwen", vergelijk "Anbau"
Vertalingen
Engelsannexe
DuitsAnbau
Spaansdependencia, anejo
Deenstilbygning
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek