aanbinden

/ˈambɪndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met bijvoorbeeld een koord, riem of touw bevestigen
    Voordat we gaan rijden moeten we de spullen in de laadruimte nog aanbinden.
  2. beginnen
    Natuurlijk had hij nu de strijd met Kron kunnen aanbinden, maar waarom zou hij? Het dorp zou de bedrijfsbelasting binnenhalen, op wiens land de windmolens ook stonden.

Uitdrukkingen

  • de kat de bel aanbinden
  • Kort aangebonden zijnStoett-10 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Waar het paard aangebonden is, moet het vretenmen moet zich naar de omstandigheden schikken
  • de strijd aanbinden: de strijd beginnen