aanbinden
/ˈambɪndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) met bijvoorbeeld een koord, riem of touw bevestigenVoordat we gaan rijden moeten we de spullen in de laadruimte nog aanbinden.
- beginnenNatuurlijk had hij nu de strijd met Kron kunnen aanbinden, maar waarom zou hij? Het dorp zou de bedrijfsbelasting binnenhalen, op wiens land de windmolens ook stonden.
Uitdrukkingen
- de kat de bel aanbinden
- Kort aangebonden zijn — Stoett-10 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Waar het paard aangebonden is, moet het vreten — men moet zich naar de omstandigheden schikken
- de strijd aanbinden: de strijd beginnen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek