aalvork

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈalvɔrᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ijzeren vork met 3, 5 of 7 van weerhaken voorziene, dicht bij elkander geplaatste, tanden aan een lange staak waarmee men net als een harpoen in het water steekt in de hoop een aal te vangen

Vertalingen

Engelseelspear