aal

vrouwelijk (de)/al/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mestvocht

Etymologie

*[3] (erfwoord) via Middelnederlands "ael" van Oudnederlands , in de betekenis van ‘beenvis’ aangetroffen vanaf 755

Uitdrukkingen

  • Zo glad als een aaliemand waarop je geen vat krijgt
  • een gladde aaleen slimmerik
  • te vangen als een aal bij zijn staartzo dat men hem moeilijk te spreken krijgt, niet gemakkelijk vast te zetten
  • aal is geen palinger is verschil

Vertalingen

Engelsliquid manure, ale, eel
Franspurin, anguille, anguille
DuitsJauche, Gülle, Aal
Spaansestiércol liquido, anguila, anguila
Italiaansanguilla, anguilla
Russischугорь
Japans鰻, うなぎ, 鰻
Zweedsål, ål
DeensÅl, Ål