aïs

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑˈjɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) een halve toon verhoogde toon "a"
    De toon “aïs” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de toon “bes”.
  2. muziek (muziek) de grondtoon (tonica) van de “aïs-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    Op de notenbalk van een fluitsonate in aïs, staan zeven kruisen als voortekens.
  3. muziek (muziek) de grondtoon van het “aïs-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    De drie tonen van het aïs-mineurakkoord (symbool: Am) in grondligging, zijn: aïs - cis - eis.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘met een halve toon verhoogde a’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1890

Vertalingen

EngelsA-sharp, Aïs-sharp minor, A-sharp minor
Fransla dièse, la dièse mineure, fa dièse mineur
Duitsaïs, aïs-Moll, aïs-Moll