Zwaan

mannelijk/vrouwelijk (de)/zʋan/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eendvogels (eendvogels) benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht
    Ik bleef naar het witte stipje in het riet kijken, waarbij ik me afvroeg of het een zwaan was of een boei, of iets spannenders - en toen vroeg ik om een reden die ik me niet meer kan herinneren: 'Wat is de zin van het leven?' Misschien kwam het door de weidsheid van de moerasgronden dat ik me ineens afvroeg wat we hier allemaal deden: dat weidse land met daarachter de oceaan die zich uitstrekte tot.
    het lelijke eendje dat verandert in een zwaan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘eendachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1139

Vertalingen

Engelsswan
Franscygne
DuitsSchwan
Spaanscisne
Italiaanscigno
Chinees天鹅
Turkskuğu