Zomers

/ˈzomərs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) genitief van zomer
zelfstandig naamwoord
  1. typerend voor de zomer
    Zonnebaden aan de kust is een typisch zomerse activiteit.

Etymologie

*Afgeleid van zomer

Uitdrukkingen

  • op z'n zomers gekleed zijn
  • lichte kledij dragen

Vertalingen

Engelssummery
Fransestival, d'été
Duitssommerlich
Spaansveraniego
Zweedssommarlik