Witbol

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor planten uit het geslacht die zacht aanvoelen doordat ze bedekt zijn met witte haren
    In Pollennieuws lezen we dat grote vossenstaart, kropaar, draviken, gewoon reukgras, gestreepte witbol, glanshaver en beemdgrassen bloeien. Op meer zandige bermen bloeit onder meer hard zwenkgras. Er is ook al behoorlijk gemaaid zowel in bermen als graslanden; een teken dat de biomassa van grassen en kruiden al flink is toegenomen.
    Het beantwoordt aan ons verlangen naar romantiek en wilde natuur. Maar wat voor natuur is dit? Ik was op stap met een bioloog, die zag weinig soorten waar hij opgewonden van werd: 'Veel akkerdistel, witbol, pitrus, boterboem. Er zit door jarenlang kunstmestgebruik nog te veel voeding in de bodem van deze voormalige landbouwgronden. Wat je nodig hebt voor soortenrijkdom is verarming.'

Vertalingen

Engelsvelvet grass, Yorkshire fog