Winnen

/ˈwɪnə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) als beste partij uit een wedstrijd komen
    Hij won het schoolkampioenschap hardlopen.
  2. ov (ov) iets verkrijgen voor een goede prestatie
    Hij won de bronzen medaille bij de Olympische Spelen.
    De wijn uit het Rhônedal heeft de afgelopen decennia aan prestige gewonnen door productverbetering en slimme marketing. De Côtes du Rhône is allang geen onaanzienlijk slobberwijntje meer, maar een succesvol exportproduct.
  3. ov (ov) een grondstof uit de natuur halen
    Dat bedrijf gaat proberen goud te winnen in de Andes.
  4. ov (ov) iemand ~ voor: iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
    Deze politicus bleek niet te winnen voor het plan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘verwerven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1237

Vertalingen

Engelswin, extract
Fransgagner, gagner
Duitsgewinnen, gewinnen, gewinnen
Spaansganar, ganar, producir
Poolswydobywać
Zweedsvinna, vinna, extrahera