Wil
mannelijk (de)/wɪl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de bereidheid of zin om iets te doenDe wil was er niet om de straat aan te vegen.
Uitdrukkingen
- Om de wille van de smeer, likt de kat de kandeleer. — erg vriendelijk zijn tegen iemand die je niet mag om iets van diegene gedaan te krijgen
- Tegen wil en dank (doen/zijn) — met tegenzin
- Waar een wil is, is een weg. — als je iets echt wilt, dan zul je ook slagen /de weg vinden naar je doel
- Dat wil zeggen — dat betekent
Vertalingen
Engelswill
Fransvolonté
DuitsWille
Spaansvoluntad
Italiaansvolontà
Russischволя
Japans意志, いし, ishi
Poolswola
Zweedsvilja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek