Vos

mannelijk (de)/vɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) bepaald zoogdier, , met bruinrode kleur en dikbehaarde staart
    In dit gebied zijn vossen losgelaten.
    We wonen bij het teken van de vos aan de Prinsengracht.
    Uit ervaring weet ik dat dit een mens, een hond of een vos kan zijn.
  2. scheikunde, afkorting (scheikunde) (afkorting) afkorting voor 'Vluchtige organische stof' -> dichloorvos
  3. afkorting (afkorting) afkorting voor 'Vrouwen oriënteren zich op de samenleving' -> voscursus
  4. kleding (kleding) bont van de vos,
  5. paardrijden (paardrijden) bruinrood paard
  6. vlinders (vlinders) benaming voor bepaalde bruinrode vlinders
  7. bouwkunde (bouwkunde) afdektop van een (rieten) puntdak (Nedersaksisch? verbastering van "vorst"?)
    De boerderij heeft een rieten dak met een rode (of blauwe) vos.
  8. afkorting van voortgezet onderwijs voor senioren (onderwijs in Suriname)

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "vos" van Oudnederlands "fus", in de betekenis van ‘hondachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • Een sluwe vos.Een slim/gewiekst persoon.
  • een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
  • Als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen/ganzen.Pas op voor huichelaars, voor mensen die de schijn ophouden goede bedoelingen te hebben
  • Kleine vossen bederven de wijngaardkleine fouten kunnen zorgen voor grote problemen in het geheel
  • Men moet vossen met vossen vangenje moet een slimme persoon vangen door slim te zijn

Vertalingen

Engelsfox
Fransrenard
DuitsFuchs
Spaanszorro, zorra
Italiaansvolpe
Portugeesraposo
Russischлиса, лисица, лис
Chinees狐狸
Japans
Koreaans여우
Arabischثعلب
Turkstilki
Poolslis
Zweedsräv
Deensræv