Voeren
/ˈvurə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) geleiden, ergens heen brengenDe gijzelaar werd geblinddoekt naar het schavot gevoerd.
- (ov), (kleding) aan de binnenkant van een isolerende laag voorzienDeze jas is met bont gevoerd.
- (ov), (voeding), (dierkunde) dieren te eten gevenWanneer ga je de kat voeren?
- (ditr), (voeding), (dierkunde) als voedsel verstrekkenVoer dat maar aan de varkens!
- (ov) iemand (m.n. een jong kind) eten in de mond stoppenHet duurt uren om Jantje te voeren.
- een gesprek voeren: converserenWe drinken wijn, voeren een min of meer coherent gesprek over de veranderende buurt, veranderende carrièreplannen.
- oorlog voeren:vechten in een gewapende strijdVolgens sommige historici ontstond het gymnasium mede door een nieuwe manier van oorlog voeren waarvoor fysieke training noodzakelijk was, anderen denken eerder dat door het gymnasium ook groepen buiten de elite fysiek 'kapitaal' konden verwerven.
Etymologie
# >voe(de)ren
Uitdrukkingen
- De vlag voeren — Stoett-2422 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Staat voeren — Stoett-2150 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelsconduct, line, fother
Fransnourrir, affourrager, nourrir
Duitsleiten, führen, geleiten
Spaansaforrar, forrar, alimentar
Deensføre, gelede, fore
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek