Visser

mannelijk (de)/ˈvɪsər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, visserij (beroep) (visserij) iemand die beroepsmatig vist
  2. een dier dat zich voedt met vissen

Etymologie

* van vissen

Uitdrukkingen

  • visser van mensen
  • (uit de Bijbel) benaming voor de apostel Petrus, die een visser was

Vertalingen

Engelsfisherman, fish-eater
Franspêcheur
Spaanspescador
Turksbalıkçı, balıkçıl