Visser
mannelijk (de)/ˈvɪsər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (visserij) iemand die beroepsmatig vist
- een dier dat zich voedt met vissen
Etymologie
* van vissen
Uitdrukkingen
- visser van mensen
- (uit de Bijbel) benaming voor de apostel Petrus, die een visser was
Vertalingen
Engelsfisherman, fish-eater
Franspêcheur
Spaanspescador
Turksbalıkçı, balıkçıl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek