Tukker
mannelijk (de)/ˈtʏkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) bepaald soort kleine bontgekleurde vink
- (zangvogels) bepaald soort vinkachtige
- (schertsend) bewoner van Twente of iemand die daar vandaan komt
Etymologie
*[3] (figuurlijk) gebruik van betekenis 2. „kneu”, vergelijk heikneuter of afgeleid van "tukken" in de betekenis "dutten" vanwege de vermeende traagheid van handelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek