Tuba

mannelijk (de)/ˈtyba/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) een koperen blaasinstrument met lage toon
  2. medisch (medisch) een buis met een trompetvormige opening, zoals de eileider (tuba uterina of tuba Falloppi) en de buis van Eustachius (tuba auditiva)

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘blaasinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832

Vertalingen

Engelstuba, tube
Franstuba
DuitsTuba
Spaanstuba
Zweedstuba