Toon
mannelijk (de)/ton/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek), (natuurkunde) een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte, een trilling met een frequentieHij sloeg op de bel en deze weergalmde op heldere toon.
- intonatie in de gesproken taal, manier van sprekenEen sarcastische toon.je toon bevalt me niet'Pardon?' Laurens toon blijft liefjes.
- sfeer, impliciete boodschap van tekstende toon was luchtig en soms vrolijk
- het karakteristieke geluid van een stem of instrumentdit instrument heeft een warme toon.
- kleurschakering door toevoeging van wit of zwart b.v. halftoon
- klemtoon, accent
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘klank’ voor het eerst aangetroffen in 1410
Uitdrukkingen
- de toon was gezet — de emotioele stemming was bepaald
- een toontje lager laten zingen — overwonnen worden
- uit de toon vallen — een uitzondering zijn, niet passen bij de omgeving
Vertalingen
Engelstone
Spaanstono
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek