Tjalk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈcɑlᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) Oudnederlands platbodem zeilvaartuig met een ronde boeg, zijzwaarden en een gaffelgetuigde mast

Etymologie

* Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘zeilvaartuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1860

Vertalingen

Engelstjalk
Fransgaliote