Tissen
/ˈtɪsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (verouderd) in de war brengen{{ouds
- (inerg) (verouderd) (figuurlijk) onenigheid groter makenWant terwijl men zit te dubben, en te tissen over duisterheden, die op onze deugdsbetrachting geen invloed altoos hebben, blijft het voornaamste ongedaan, (…)
- (erga) (verouderd) in de war rakenMaar Kees, hoog met zijn knoestig vlashoofd en de schonkschouders boven zijn roeibankje, woelde de lichte riemen snel door de kroostressen, die als siepelende baarden aan zijn spanen bleven tissen.
Etymologie
*: "tis" met uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek