Timp

mannelijk (de)/tɪmp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) broodje in de vorm van een langwerpige ruit of ovaal
    Onze timpen zijn verwante broodjes, die eveneens een scheenbeenbrood voorstellen; in vroeger tijd vertoonden de uiteinden ook twee knobbels. (…) thans is de timp, met krenten gebakken, een feestgebak met Kerstmis o.a. te Rotterdam.
  2. verouderd (verouderd) uiteinde dat in een punt uitloopt
    {{ouds|1864/83

Etymologie

*van Middelnederlands "timpe"