Tiens
mannelijk (de)/cɛ̃/
Betekenis
tussenwerpsel
- uitroep die verbazing uitdruktOp een zondagmiddag maakt een man met enkele vrienden een uitstapje naar zee. Ze zijn afkomstig uit een ingeslapen provinciestadje ergens in Frans-Vlaanderen. Op een bepaald moment constateert de man: ‘Tiens, je kunt Engeland zien!’.
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) periodieke betaling aan de eigenaar om roerende of onroerende zaken te mogen gebruikenDe boeren die dan 'thuys verblijven om te saeyen,Betalen hem den tiens van allen 'tgeen sy maeyen.
Etymologie
*[zelfstandig naamwoord] van Middelnederlands "tins", mogelijk onder invloed van tiend
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek