Tiens

mannelijk (de)/cɛ̃/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. uitroep die verbazing uitdrukt
    Op een zondagmiddag maakt een man met enkele vrienden een uitstapje naar zee. Ze zijn afkomstig uit een ingeslapen provinciestadje ergens in Frans-Vlaanderen. Op een bepaald moment constateert de man: ‘Tiens, je kunt Engeland zien!’.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) periodieke betaling aan de eigenaar om roerende of onroerende zaken te mogen gebruiken
    De boeren die dan 'thuys verblijven om te saeyen,Betalen hem den tiens van allen 'tgeen sy maeyen.

Etymologie

*[zelfstandig naamwoord] van Middelnederlands "tins", mogelijk onder invloed van tiend